In '100 Jaar Sint Jan Kilder'* staat een hoofdstuk - in dialect - over
bijnamen in Kilder. Hoewel ze niet in Kilder woonden, worden ook Doeven
Toon en Tütten Theet genoemd; twee broers die op deze site 'thuis' horen.
We hebben de tekst gedeeltelijk 'vertaald' in het Nederlands.
In ieder dorp gaven de mensen elkaar bijnamen en Kilder was geen
uitzondering. Integendeel, de Kildernaren konden de wonderlijkste namen
verzinnen. Hoe konden ze vroeger een mens de bijnaam Poependik,
hondeköttel, driet of hoenderkont geven? En wat doe je met een flodderboks,
onderbukse, pettenberg, pandje of lappenkoning?
In de Kilderse Ark van Noë was het een gezellige beestenboel, omdat honden
en katten, muizen en ulken (bunzings), vossen en kikvorsen, tuuten (kippen)
en kraaien, een kies (kalf) en een flikkerbok, een sik en een piethaan, een
piel (eend), en een kloek, een alk en een kevertje, een bosaap en een mus,
en al het andere zachte en aardige spul, die het goed met elkaar konden
vinden, verzorgd werden door de Goede Herder. Poggen Derk, Doeven Toon,
Tuten Theet, Jan met de bol, 't Vöske, en meer van dat soort, ze wilden
allemaal, met bed en bult, met die ark mee, want het was daar zo gezellig.
Toen kwam er een bonte polonaise. Mina Hoekel liep voorop. De garf en 't
heggedeurntje dansten de hoksenbarg. Flere Kaatje had iemand uit de koel
meegebracht. De iezeren en zijn rozenkransen naamgenoot hadden het over
vroeger. Er liepen een paar paters te klassenieren: één had de schop en het
pootgerei nog bij zich en één van beiden kwam uit 't laege weike, sukerpap
en de lange rammel hadden de vaart er in.
Toon en Gerritje blodderden en keften een beetje tegen elkaar, maar konden
daar later wel om lachen. Citroentje en Boelie sloten de rij met
poetenelleke en 't ongelbuukske. Toen volgde een groep, waarvan je op
afstand de bijnaam al koen zien of horen: Olde Peter en olde Piet, lange
Jan en lange Toon, lange Gert en zijn korte Riekske, de schoonzusters grote
en kleine Gerritje, rooie Toon en rooie Dorus, kromme Bart en kromme
schoester, dove Mina en lange Willem, schaele Hanne en kleine Jan. Zij
stonden in dubio: gaan wij naar de kale Jacob of de olde Beth. Uiteindelijk
zijn ze allemaal hun eigen weg gegaan, want het was ongemerkt later
geworden.
Om de mensen uit elkaar te houden, werd vaak "Van ..." achter de voornaam
gezet. Zo had je een Gradus van 't Loo, Gradus van de Pals en Gradus van de
Hoef.
Ook werd soms verwezen naar de vader: Jan van Manus, Toon van Drikkus, Hent
van Piet of Beernd van Kobus, men wist meteen wie de vader was.
Bij Toon van Beernd van Piet of Piet van Hent van Piet werd het al een
beetje ingewikkelder, maar bij 'Roy van Toon van Beernd van Kobus' of
'Hendrie van Piet van Hent van Piet' wordt het stevig nadenken. Hoewel
'Angelien van Mineke van Marie van Aaltje' toch ook aardig klinkt.
En dan die mensen, die met hun eigen naam een soort legende zijn geworden.
Zonder Jan Leuvering, Chris Schuurmaqn en de kromme schoester, die samen
het trio "de humoristen" vormden, was er geen kermis goed op gang gekomen.
En dan de artistieke Keesje Brinkhuus,, Pappetje Spronk (Hent), Bart
Bouman, Sjef Aleven, Derk Vels en zijn Rika, Marietje Iezereef met haar
trekkaretje, Spliethof en Smeenk en andere mensen met hun negotiekistje met
veters, band, garen en parelmoerknopen. Als laatste in dat soort ging
Marina door het dorp met een zak lompen voor op zijn transportfiets. Die
gaf voor de kleuterschool met pastoor Korrel een show weg in preken en
zingen. Zonder al die mensen was Kilder als een boek zonder plaatjes.
Voor jonge mensen was het allemaal wel eens wat ingewikkeld. Er werd
regelmatig een bok geschoten. Zo komt Citroentje een keer een café binnen
en zegt tegen Dien Tönnis: Vrouw herberg, geef mien der effe eentje".
"Vrouw ulk, mama vrug um um 'n witte stoet" vroeg iemand bij Welling in de
winkel.
Toen een klein jongetje tegen de oude Jansen de fietsenmaker zei: "Pandje,
he'j nog 'n ventiel veur mien fiets?" kreeg hij in plaats van een ventiel
een draai om de oren en in plaats van wind in de band de wind van voren.
Hij heeft nooit begrepen waarom...
*Het boek verscheen in 1986 en werd samengesteld door:
Toos Jansen-Gerritsen: interviews met tientallen Kildernaren, speurwerk in
archieven en bronnen, eigen herinneringen.
Theo Kock, Braamt: fotograaf, maker van foto's en reproducties in het boek.
Herman Hollander: adviseur, maker van de pentekeningen en de layout.
Druk: Delta Drukkerij en Diensten, Zutphen.
Henk Harmsen, Stokkum: algehele eindredactie.
Bijdragen werden verwerkt van de heren A.G. van dalen, J.H. van Heek en
B.C. Engelbarts.
René Meijnen had de zakelijke leiding over het boek-project en leidde de
redactievergaderingen.