In 1850 telde Didam 3383 inwoners. Het Ddamse
gemeentebestuur in 1850 bestond uit: burgemeester G.J. van Embden, de
wethouders F.A.J.M. baron van Voorst tot Voorst en J.H. Berendsen en de
raadsleden H. Roosendaal,H.
Slangenburg,A.Thuis,K.Scheers. De gemeenteontvanger was F.B.
Keurschot.
Op 9 september 1851 werden de eerste
gemeenteraadsverkiezingen gehouden. Het
kiesrecht was hierbij gekoppeld aan de census. Dit was de drempel die kiezers
moesten halen uit het totaal van de
aanslagen van de drie directe Rijksbelastingen (grond, personele en patent).
Mannen vanaf 23 hadden in principe stemrecht, het kiesrecht voor vrouwen
bestond nog niet. Op grond van dit gegeven waren er slechts 116 Didamse mannen
stemgerechtigd, er werden 110 stemmen uitgebracht.Tot raadslid werden gekozen
11 personen Albert Teunissen, Gerrit Kok, Albert Thuis, Jan Berendsen,
Hendrik Thuis, Jan Horsting, Cornelis Kuppens, Hendrik Bösing, Jan
Schepers, Willem Damen en Antoon Egging (4 middenstanders en 7 landbouwers).
Op 1 oktober 1851 legden de raadsleden de eed af ten
overstaan van burgemeester Gert Jan van Embden. Tot wethouders werden benoemd
Albert Thuis en Willem Damen. De Raad benoemde C.J.P. Weijn (notaris)
tot secretaris en P. Kuppens tot gemeenteontvanger. Deze laatste ontving als
vergoeding 5% van de ontvangsten hetgeen aangeeft dat ook toen nog de
gemeentelijke organisatie in de kinderschoenen stond.
Bovenstaande is een gedeelte uit een artikel in het
Jaarboek Achterhoek en Liemers, deel 24 (2001), door Jan Beursken: Van
heerlijkheid naar gemeente (blz 126-132). De heer Beursken gaf toestemming om
tekst over te nemen.
|